The New York Times: Stanza: “The iPhone or iPod Touch can act as an electronic book reader.”
Tip of the Week: Turn Your iPhone Into an e-Book

De Villa's der Medici in den omtrek van Florence De Aarde en haar Volken, 1886 by Anonymous - De Villa's der Medici in den omtrek van Florence De Aarde en haar Volken, 1886

(download Open eBook Format)

De Villa's der Medici in den omtrek van Florence De Aarde en haar Volken, 1886

The Project Guten­berg EBook of De Vil­la's der Medi­ci in den omtrek van Flo­rence, by Anony­mous

This eBook is for the use of any­one any­where at no cost and with al­most no re­stric­tions what­so­ev­er. You may copy it, give it away or re-​use it un­der the terms of the Project Guten­berg Li­cense in­clud­ed with this eBook or on­line at www.guten­berg.net

Ti­tle: De Vil­la's der Medi­ci in den omtrek van Flo­rence De Aarde en Haar Volken, Jaar­gang 1886

Au­thor: Anony­mous

Re­lease Date: Au­gust 21, 2005 [EBook #16569]

Lan­guage: Dutch

Char­ac­ter set en­cod­ing: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTEN­BERG EBOOK DE VIL­LA'S DER MEDI­CI ***

Pro­duced by Jeroen Helling­man and the PG Dis­tribut­ed Proof­read­ers Team

De Vil­la's der Medi­ci in den omtrek van Flo­rence.

Reeds een vorig maal hebben wij, op onze wan­delin­gen door Toskane, een be­zoek ge­bracht aan een der voor­ma­lige vil­la's van het door­luchtig ges­lacht der Medi­ci, in den omtrek van Flo­rence. Maar Pog­gio Im­pe­ri­ale, waarheen wij toen onze schre­den wend­den, is noch het schoonste, noch het beroemd­ste van die lustverbli­jven, waaraan de naam en de herin­ner­ing van deze vorstelijke koop­mans­fam­ilie, die de evenknie van konin­gen werd en zich di­en rang waardig toonde, ver­bon­den is. Wij willen, steeds aan de hand van onzen voortr­ef­fe­li­jken gids, den heer E. Müntz, onze wan­del­ing voortzetten en ook de an­dere vil­la's der Medi­ci be­zoeken. Toskane is een land, dat onu­it­put­telijke schat­ten bergt en dat men ni­et moede wordt, jaar op jaar in alle richtin­gen te doorkruisen, over­tu­igd, telkens iets nieuws te zullen vin­den, telkens en telkens teruggevo­erd te zullen wor­den tot dat schit­terende, dat over­stelpend ri­jke, dat won­der­volle ti­jd­vak in de his­to­rie: de ital­iaan­sche Re­nais­sance. Wij ne­men vol bli­jd­schap den wan­del­staf ter hand en lat­en ons door den fi­jnen en smaakvollen kun­stken­ner, den bi­ograaf van Rafaël, rondlei­den door de be­toov­erend schoone om­streken van het heer­li­jke Flo­rence.

I

Met uit­zon­der­ing van de Cascine, de Viale dei Col­li, Bel­lo Sguar­do en Fiesole, zi­jn de on­mid­del­li­jke om­streken van Flo­rence weinig bek­end. Zelfs on­der mi­jne flo­ren­ti­jn­sche vrien­den was er geen enkele, die Pog­gio a Ca­jano, de his­torische vil­la der eerste Medi­ci, had be­zocht. Careg­gi is al even weinig bek­end. En wie ver­moedt zelfs heden ten dage het bestaan van die toover­paleizen, Castel­lo en la Pe­tra­ja ge­noemd? Tot die on­bek­end­heid en ver­waar­looz­ing draagt zek­er veel bij de moeieli­jkheid om toe­gang te verkri­jgen tot die vil­la's, die tegen­wo­ordig tot het kroon­domein be­hooren en waar men ni­et wordt toege­lat­en zon­der uit­drukke­li­jke ver­gun­ning; maar de schri­jvers, wier taak het is het pub­liek en met name de vreemdelin­gen voor te licht­en, hebben toch ook schuld. Cochin, die in de vorige eeuw over Ital­ië een van die vluchtige, op­per­vlakkige boeken schreef, waaraan met name de fran­sche let­terkunde van di­en ti­jd zoo ri­jk is, spreekt met mi­nacht­ing van Pog­gio a Ca­jano. “Dit paleis,” zegt hij, “heeft ni­ets bi­jzon­der in­druk­wekkends. Het beste is nog eene kleine por­tiek van zes zuilen, waarheen een dubbele trap vo­ert; de buitengev­el is verder geheel kaal. Ron­dom de bene­den­verdieping loopt een ter­ras, dat zeer aan­ge­naam is en van waar men een schoon uitzicht heeft. Men vin­dt in dit paleis eene kost­bare verza­mel­ing van kleine schilder­ijen van de eerste ital­iaan­sche en vlaam­sche meesters, bi­jna allen uit­mun­tend schoon. Wij hebben den ti­jd ni­et gehad, de besten op te teeke­nen, maar de na­men staan op de achterz­ijde te lezen.”--Cochin had ten min­ste nog de moeite genomen, de vil­la te gaan be­zoeken. Maar wat te zeggen van den schri­jver van een on­langs uit­gekomen boek, dat bepaaldeli­jk aan de om­streken van Flo­rence is gewi­jd, en dat de geschiede­nis en de beschri­jv­ing van Pog­gio a Ca­jano in ne­gen regels af­doet? Toch is ook dat weinige nog te veel, wan­neer men zich ni­et een­maal de moeite geeft, de plaat­sen te be­zoeken, waarmede men an­deren bek­end wil mak­en. Ik mag nu het voor­recht hebben, mi­jn lez­ers iets nieuws, bi­jna iets on­bek­ends, aan te bieden.

De gemakke­li­jk­ste manier om van Flo­rence naar Pog­gio a Ca­jano te gaan is wel met den stoom­tram, die op het plein San­ta-​Maria Novel­la afri­jdt en alleen gedurende de mid­daguren stil­staat, ter­wi­jl de rit­ten 's mor­gens en 's avonds vrij snel op elka­nder vol­gen. Daar de af­stand tameli­jk groot is en een aan­tal plaat­sen on­der­weg wor­den aangedaan, zou een enkel ri­jtu­ig ni­et vol­doende zi­jn voor het ver­vo­er van alle reizigers--bi­jna uit­slui­tend _couta­di­ni_, land­be­won­ers; de trein bestaat dus meestal uit vi­er of vi­jf wa­gens.

Onophoudeli­jke re­gens had­den mij ged­won­gen, het uit­stap­je van dag tot dag uit te stellen. Ein­deli­jk kon ik ni­et langer wacht­en, en on­der­nam ik den tocht, hoewel donkere, on­heil­spel­lende wolken den hemel be­dek­ten, en een koude vochtige wind mij rillen deed. Maar, wie weet, miss­chien zal ik ver­goed­ing vin­den in nieuwe natu­ur­toonee­len. Het is ni­et ieder en ni­et dik­wi­jls ver­gund, de vallei van den Arno in neve­len gehuld en in een mod­der­poel her­schapen te zien, vooral ni­et in Septem­ber.

Lan­gen ti­jd slingert zich de tramweg door de strat­en der stad, door­gaans zoo vrooli­jk en uit­lokkend, nu naargeestig en somber als de hemel zelf; dan komen wij aan de voorste­den en bereiken ein­deli­jk het open veld met de klassieke muren, afgewis­seld door ha­gen en boomen, waar­langs zich wi­jn­gaar­den ranken. Te mid­den van het gri­jze land­schap rust de blik met ver­rukking op de donker blauwe bergen op den achter­grond. Toch is het op den weg lev­endig ge­noeg, in spi­jt van het slechte weer; telkens ont­moeten wij kar­ren op twee wie­len en zooge­naamde chars-​à-​bancs, bestu­urd door boeren met een vil­ten hoed, een gri­js buis en di­to broek, als had­den zij deze kleur gekozen om in overeen­stem­ming te zi­jn met de thans alles over­heer­schende tin­ten in de natu­ur. Wij ri­jden over den Mugnone, eene beek, die men hi­er over­al ont­moet en die wel de gave der alomte­gen­wo­ordigheid schi­jnt te hebben; dan komen wij aan San-​Do­na­to, de vroegere bezit­ting van vorst Demid­off; de trein ri­jdt langs een prachtig park, slechts door een hek afges­loten, en waar­van de treur­wilgen, de pop­ulieren en pla­ta­nen eene zeer welkome afwis­sel­ing bieden te mid­den der ein­de­looze oli­jf­boomen. Een weinig verder zien wij zelfs, tot onze ver­rass­ing, echte groene wei­lan­den, waarin eene kud­de schapen loopt te grazen. Wij bli­jven nu in de vlak­te, tot wij het doel van onze reis hebben bereikt.

Te Pere­to­la gekomen, houdt de trein op het kleine kerk­plein stil. De loko­motief ver­laat ons, ik geloof om naar Pra­to te gaan; en onze wa­gen wordt in een om­nibus her­schapen, waar­voor twee paar­den wor­den ges­pan­nen. Ik maak van het opon­thoud ge­bruik, om de kerk bin­nen te tre­den: eene doo­deen­voudi­ge dorpskerk, maar die een werk bez­it van de del­la Rob­bia, dat zoo goed als on­bek­end is. Dit uit­ne­mende kunst­werk, deels in marmer, deels in ter­ra-​cot­ta, stelt Chris­tus voor, ter halver­li­jve, door en­ge­len ges­te­und, met de Madon­na aan zi­jne link­er- en Sint-​Jan aan zi­jne rechter­hand, ter­wi­jl God de Vad­er van boven op de groep neerb­likt.

Maar de vo­er­man klapt met de zweep: het is ti­jd om te vertrekken. Wij ri­jden door de ein­de­loos lange straat van Pere­to­la; of liev­er, door een zek­er aan­tal dor­pen, die allen op elka­nder vol­gen, zon­der dat ge aan wat ook be­speuren kunt, waar het eene ophoudt en het an­dere be­gint. Deze rit is zoo weinig mo­geli­jk pit­toresk. De smalle bedompte straat, de opeen­vol­ging van kleine huis­jes, allen naast elka­nder langs den straatweg in het gelid staande, de een­vormige bouw­sti­jl: dit alles vormt de scherp­ste tegen­stelling met de dor­pen in het gebergte, waaraan de herin­ner­ing onu­itwischbaar in het geheugen bli­jft gegrift.--Zi­jn wij in­der­daad buiten of nog al­ti­jd in eene voorstad van Flo­rence? Daar is grond voor die vraag. Het ar­moedig, slordig voorkomen der vrouwen, die voor de deur har­er grauwe huis­jes staande stroohoe­den vlecht­en, zooals de boerinnnen bij ons kousen breien, be­wi­jst dat wij ook hi­er boerin­nen voor ons hebben. Maar wat be­teeke­nen dan die petroleum­lantarens en die snork­ende op­schriften? Deze tegen­stri­jdigheid springt vooral in het oog te Brozzi, dat wij wel­dra bereiken. Daar zi­et men winkels, die in groote let­ters br­om­mende op­schriften vo­eren, als: (in het fran­sch) _Au pe­tit sa­lon de la mode_, waarmede een kap­per­swinkel wordt be­doeld; of wel _Bir­re­ria e de­pos­ito di ghi­ac­cio_ (bier­huis en de­pôt van ijs), of _Bau­co di lotte_ (lo­ter­ijkan­toor), of _Ar­maiuo­lo e fab­bro_ (zwaard­veg­er en smid); en daarn­evens zi­et ge boeren, die bar­revoets en met hun schoe­nen in de hand loopen, om hun schoeisel voor sli­jten te be­waren. Welk een dishar­monie en wat ver­gri­jp aan de lokale kleur!

Te San-​Don­ni­no moeten wij iets langer ophouden. De aan Sint-​An­dreas gewi­jde kerk is een ned­erig en zeer ver­vallen gebouw, maar haar schilder­ijen ver­di­enen, naar men mij verzek­erde, zeer de aan­dacht. Ik treed bin­nen en richt mij aanstonds naar de fresko, die het eerste zi­jal­taar ter link­er­hand ver­siert. Ni­et iederen dag overkomt ons het geluk, een Domeni­co Ghirlan­da­jo--want met nie­mand min­der hebben wij hi­er te doen--te ont­dekken in een dor­pje, waar­van geen enkel hand- of reis­boek meld­ing maakt. De fresko toont ons de Madon­na, zit­tende in eene soort van nis tuss­chen twee heili­gen, waar­van de een een zwaard, de an­der een pi­jlkok­er in de hand houdt; op den schoot der Heilige-​Maagd zit het Kind, geheel on­tk­leed. De kom­posi­tie is, zoo als men zi­et, hoogst een­voudig: maar welk eene rust, welke har­monie en no­bele fier­heid in de fig­uren; en hoe juist heeft men Ghirlan­da­jo den voor­naam­sten schakel ge­noemd in de gouden keten die Rafaël met Masac­cio verbindt. In schit­terende tal­en­ten wordt hij door vele an­dere schilders overtrof­fen; maar van weini­gen mak­en de werken een zoo bekoor­li­jken, zoo rusti­gen, wel­dadi­gen in­druk.

Een oude bak­stee­nen toren, di­en ik in de verte be­speur, noopt mij eene zi­js­traat in te slaan, die naar het sta­tion loopt. San-​Don­ni­no ligt aan den spoor­weg van Flo­rence naar Em­poli. Maar nader­bij komende, zie ik dat de toren alle karak­ter mist; ik haast mij dus de reis naar Pog­gio a Ca­jano te ver­vol­gen.--Ik zal nu maar verder ni­ets zeggen van die ein­de­looze aa­neen­schake­ling van dor­pen, die ni­ets lan­deli­jks hebben, en van velden, met maïs en dergeli­jke gewassen be­plant. Na een nieuwen rit, nog langer dan de vorige, be­gint het land­schap van karak­ter te ve­ran­deren: de akkers wor­den ver­van­gen door wei­lan­den; in plaats van de een­tonige vlak­te kri­jgen wij bergen, groote en kleine, die wel­dra den weg versper­ren. Bli­jk­baar naderen wij het einde van onzen tocht; en dat is goed ook, want het be­gint weer te re­ge­nen en de weg wordt een mod­der­poel.

Bij het bin­nenkomen van het vlek of dorp Pog­gio, valt mij aanstonds het _caf­fé e buf­fet del tramway_ (welk een bar­barisme!) in het oog. Ik be­hoef dus ni­et te vreezen, van honger te zullen ster­ven; een koet­si­er komt, met den hoed in de hand, naar mij toe, en vraagt beleefd, of ik een ri­jtu­ig ver­lang; er bestaat dus ook gele­gen­heid om naar de stad terug te keeren, al mis ik den tramway. Na nog­maals--zek­er voor den tien­den keer na mi­jn vertrek uit Flo­rence--over een brug te zi­jn gegaan, kom ik ein­deli­jk te Pog­gio a Ca­jano. De voor­naam­ste straat, breed en ter wed­erz­ijde van trot­toirs voorzien, is om­zoomd door eene dubbele reeks van kleine huizen met eene verdieping en een alles be­halve smaakvol ijz­eren balkon. Om­streeks het mid­den van het vlek be­gint de weg te sti­jgen; daar be­gint ook, naast een fraai huis uit de zeven­tiende of acht­tiende eeuw (lat­er ho­orde ik dat daar de rent­meester van de vil­la woont), een reusachtige muur, die een groot deel van den heuv­el schi­jnt te om­sluiten; aan de an­dere zi­jde ver­ri­jzen een aan­tal koffiehuizen, gaarkeukens, lo­ge­menten, meest allen van den min­sten rang, on­danks hunne klink­ende na­men.

Ik stel tot den namid­dag het on­der­zoek uit van di­en geheimzin­ni­gen muur, die het hoog­ste punt van Pog­gio a Ca­jano in­neemt, en ver­volg mi­jn weg tot aan den voet der bergen, op et­telijke hon­derd schre­den af­stands. Ein­deli­jk ben ik dan in de vri­je lucht, te mid­den der echte natu­ur. Hoewel de re­gen bij stroomen neer­valt, adem ik met wellust de geuren in van het naburige bosch. Zulk een genot is een zeldza­amheid in de om­streken van Flo­rence, die al te zeer be­bouwd zi­jn en waar geen duim­breed gronds door den men­sche­li­jken ar­beid onge­bruikt wordt gelat­en.

Een steile rot­sige weg vo­ert naar de twee kerken van Pog­gio a Ca­jano, die, won­der­li­jk ge­noeg, buiten het vlek, op eene moeil­ijk te bereiken hoogte zi­jn gebouwd en zich door ni­ets bi­jzon­ders on­der­schei­den. Op een open plek gekomen, on­trolt zich voor mi­jne oogen een prachtig panora­ma: rechts en links met bosch be­groei­de bergen, met vil­la's be­dekt; voor mij, de reusachtige muur, op de vi­er hoeken met een paviljoen ver­sierd en bin­nen zi­jn gordel de een­voudi­ge en ma­jestueuse vil­la der Medi­ci om­slui­tende; in de verte ein­deli­jk, die wel­bek­ende en al­ti­jd even schoone deko­ratie: de bel­froot van Arnol­fo, de cam­panile van Gri­ot­to, de koe­pel van Brunelle­sco, Flo­rence, in een wo­ord, in al hare heer­li­jkheid.

Nu ik een blik heb gewor­pen op de vil­la der Medi­ci--die vil­la, ver­heer­li­jkt door de herin­ner­ing aan zooveel groote man­nen en door zooveel kunst­werken;--be­sef ik dat het eene on­vergeefe­li­jke han­del­ing zou zi­jn, in­di­en ik ni­et al mi­jn beschik­baren ti­jd aan haar alleen wi­jdde. Ik daal dus zoo spoedig mo­geli­jk van den heuv­el af, en be­won­der gaan­deweg de reusachtige muren en fon­da­menten, waarop de patri­cis­che vil­la rust, en die door de gesteld­heid van het ter­rein wer­den gevorderd. Zij mak­en eeniger­mate den in­druk van eene vest­ing: en toch is hi­er alles slechts op ge­ni­eten berek­end; de eige­naars schi­jnen ni­ets an­ders be­doeld te hebben, dan te mid­den van een grooten tu­in, een pret­tig, vrien­deli­jk, zon­nig huis te bouwen, waarin zij kon­den uitrusten van de beslom­merin­gen der regeer­ing. Uitwendig maak­te dit huis weinig ver­toon­ing: de eerste Medi­ci wen­scht­en zooveel mo­geli­jk alle opzien­barende pracht en weelde te ver­mi­jden. Zij moesten reken­ing houden met de prikkel­baarheid der flo­ren­ti­jn­sche burg­er­ij, die door het ten toon sprei­den van vorstelijke staat­sie en grootheid, licht tot wantrouwen en nai­jver kon wor­den geprikkeld. Het was hun om het wezen der macht te doen, ni­et om den uiter­li­jken schi­jn: deze zou van zelf vol­gen, waar het eerste gewon­nen was; zij ver­me­den dus alles wat aanstoot geven kon, en stelden zich schade­loos, door bin­nen de wan­den hun­ner vil­la's alle ge­ni­etin­gen en alle kun­stschat­ten bi­jeen te bren­gen, die maar eenigszins bin­nen hun bereik kon­den liggen.

In zi­jn voortr­ef­fe­li­jk en zoo boeiend boek over Loren­zo il Mag­nifi­co, schetst baron Reumont ons, hoe zi­jn held zi­jn vri­jen ti­jd verdeelde tuss­chen Careg­gi en Ca­jano, halfweg tuss­chen Flo­rence en Pis­to­ja, op den laat­sten heuv­el van den Monte-​Al­bano. In 1479 kocht Loren­zo de' Medi­ci dit land­goed van Gio­van­ni Ru­cel­laï, een ni­et min­der uit­ne­mend ken­ner en bescher­mer der kun­st, den stichter van den voorgev­el van San­ta-​Maria Novel­la. Ru­cel­laï had dit domein op zi­jn beurt gekre­gen van zi­jn schoonva­der, een groot burg­er, een vurig, onzelfzuchtig bescher­mer van kun­st en let­teren, Pal­las Strozzi. De nieuwe vil­la, door den vriend van Loren­zo, Giu­liano da San-​Gal­lo, gebouwd, werd wel­dra het vereenig­ingspunt van den schit­teren­den kring, die zich ron­dom il Mag­nifi­co schaarde. Poliziano heeft di­en kring in eene zi­jn­er schoon beri­jmde verzen be­zon­gen; Michele Veri­no beschreef hem in proza; Er­mo­lao Bar­baro en Pi­co del­la Mi­ran­dola wer­den daar als gas­ten ont­van­gen. Eene wa­ter­lei­ding, zoo ver­haalt de heer Reumont, vo­erde het drinkwa­ter van de hoogten van Bon­istal­lo aan. Uit­gestrek­te boom­gaar­den en moes­tu­inen di­en­den Loren­zo voor zi­jne proefne­min­gen op zoöl­ogisch en botanisch ge­bied, want de groote Mae­ce­nas stelde even­veel be­lang in de schep­pin­gen der natu­ur als in die der kun­st. Hi­er zag men zi­jne mo­er­bez­iën­boomen; el­ders zeldzame dieren, tot zelfs in Span­je en in Egypte gekocht. Loren­zo mag met recht de stichter der ac­cli­matati­etu­inen, in den besten zin van dat wo­ord, wor­den ge­noemd. Zi­jne ver­won­der­li­jke werkza­amheid om­vat­te alles: hij wi­jdde zi­jne aan­dacht zoow­el aan de goud­fazan­ten, wier af­stam­melin­gen nog tot voor weinige jaren het park bevolk­ten, als aan de varkens van Cal­abrië, de run­deren van In­dië, miss­chien zelfs aan de gi­raf­fen van Afri­ka, want het was door zi­jn toe­doen, al­thans door zi­jne medew­erk­ing, dat dit zon­der­linge di­er voor het eerst in de vallei van den Arno werd gezien.

Toen de meest be­minde zoon van Loren­zo zi­jn naam Gio­van­ni de' Medi­ci ver­wis­selde tegen di­en van Leo X, ver­gat hij de geliefde vil­la van zi­jn beroem­den vad­er ni­et. Op zi­jn bev­el en on­der zi­jn toezicht wer­den daar be­lan­gri­jke werken uit­gevo­erd, en de ver­sier­ing der groote za­al werd aan kun­ste­naars van den eersten rang opge­dra­gen, als An­drea del Sar­to, Fran­cia Bi­gio, Ja­copo de Pon­tor­mo. De kun­st- en let­ter­lievende Paus, de Helleen op den troon van Petrus, die zi­jn naam aan de eeuw gegeven heeft, be­zocht zelfs, ten jare 1515, de vil­la van Pog­gio a Ca­jano, die door hem nieuwen luis­ter zou ont­van­gen. Maar zi­jn dood deed de werkza­amhe­den stak­en; eerst in 1580 kon Alessan­dro Al­lori de ont­wor­pen ver­fraai­in­gen ten einde bren­gen. In di­en tuss­chen­ti­jd had Cos­mo I zich her­haaldeli­jk te Pog­gio a Ca­jano opge­houden. Ben­venu­to Celli­ni heeft ons het ver­haal nage­lat­en van de pogin­gen, die hij, ten jare 1559, in deze zelfde vil­la, bij Cos­mo aan­wendde, om zi­jn eeuwigen tegen­stander Bandinel­lo ten val te bren­gen. Om­streeks dien­zelf­den ti­jd werd de vil­la ver­sierd met eene reeks tapi­jten, jachttafree­len te wa­ter en te land voorstel­lende, gew­even naar de kar­tons van Stradano.

Weinige jaren lat­er werd Pog­gio a Ca­jano ge­tu­ige van eene droe­vige tragedie, die meer dan de herin­ner­ing aan zoo vele beroemde en uit­ne­mende per­so­nen, er toe heeft bi­jge­dra­gen om de aan­dacht der geschied­schri­jvers en ook der menigte op deze vil­la te ves­ti­gen. De om hare schoonheid en haar geest, zoow­el als om haar gren­zen­looze eerzucht en ver­rader­li­jke kuiper­ijen be­faamde Bian­ca Capel­lo had het ein­deli­jk zoo ver weten te bren­gen, dat haar min­naar, de groother­tog Frans II, haar had gehuwd en naast zich op den troon van Toskane ver­heven. De schit­terend­ste toekomst scheen voor haar weggelegd. De senaat van Venetië, ver­ge­tende dat hij open­li­jk de dochter had ge­brand­merkt, die met haar min­naar het vader­li­jk huis was ontvlucht, zond nu een schit­terend gezantschap om bij het huweli­jk tegen­wo­ordig te zi­jn en huldigde haar als eere­burg­eres van San-​Mar­co. De dood van den eeni­gen er­fge­naam van Frans II, den zoon zi­jn­er eerste gema­lin, li­et haar het veld vrij voor ver strekkende on­derne­min­gen; dolk en gift­bek­er had­den haar ontsla­gen van gevaar­li­jke vi­jan­den of onbeschei­den medeplichti­gen. Zij besloot nu, hare macht voor goed te beves­ti­gen, door zich met haar schoonbroed­ers te ver­zoe­nen; in­der­daad geluk­te het haar, den kar­di­naal van Medi­ci naar Pog­gio a Ca­jano te lokken. Was er bij het­geen nu vol­gde to­eval of mis­daad in het spel? Wie zal het uit­mak­en: slechts dit is zek­er, dat de groother­tog, op den acht­sten Oc­to­ber 1587, plot­sel­ing werd aange­tast door eene kwaadaardi­ge koorts, die ko­rt daarop ook de schoone Bian­ca aan­greep. Bei­den stier­ven eenige uren na elka­nder.

Deze herin­ner­in­gen rezen in mij op, ter­wi­jl ik aan de poort der vil­la schelde, waar­boven nog het in marmer uit­ge­houwen wapen der Medi­ci pri­jkt. De porti­er, in de konin­kli­jke liv­erei ge­dost, vo­ert mij door een grooten tu­in, waar­van het voor­naam­ste sier­aad bestaat in een rij oran­je­boomen, in reusachtige aar­den pot­ten ge­plant, en gelei­dt mij naar den in­gang van het huis, waar hij mij over­lev­ert aan een ouden be­di­ende, die mij tot ci­cerone zal ver­strekken.

Zooals ik zei­de, is de bouw­sti­jl van de vil­la ten hoog­ste een­voudig: noch schilder­achtige uit­bouwsels, noch mon­umen­tale zuilen, noch kary­ati­den; van voren gezien, geli­jkt het gebouw op een vier­hoek, bestaande uit eene bene­den- en twee boven­verdiepin­gen, met een op pi­laren rus­tende por­tiek, die de bene­den­verdiepin­gen omgeeft en ter hoogte van de eerste verdieping een ter­ras of balkon vormt. Deze vrij plompe por­tiek is--ik haast mij dit er bij te voe­gen--een to­evoegsel van lat­er ti­jd, en mag dus ni­et op reken­ing gesteld wor­den van den oor­spronke­li­jken bouwmeester Giu­liano da San-​Gal­lo, wiens werk on­der meer dan een opzicht mis­vor­md werd. Eerst als men om het gebouw heen­wan­delt, be­speurt men dat aan de zi­jgevels de uitein­den vooruit­steken en dus een soort van vleugels vor­men. Het voor­naam­ste sier­aad van den voorgev­el bestaat in eene zeer fraaie log­gia, ver­sierd met maskers en het wapen en de­vies van de Medi­ci. De fries van het fron­ton dez­er log­gia is ver­sierd met geë­mailleerde ter­ra-​cot­ta's van een eige­naardi­gen sti­jl, waarin men reeds de richt­ing der zestiende eeuw meent te be­speuren. Men zi­et daar ver­schil­lende kleine witte beeld­jes, fi­jn en geestig be­werkt, goed uitkomende tegen den blauwen achter­grond. Voor zoover ik, bij een haasti­gen oogop­slag en on­der den aan­houden­den sla­gre­gen, kon oordee­len, vor­men deze groep­jes al­le­gorische voorstellin­gen, on­der an­deren van den land­bouw.

Het uitwendi­ge van de vil­la geeft vol­strekt ni­et den in­druk van het aan­tal en den om­vang der zalen en vertrekken, die zij be­vat. In de bene­den­verdieping vin­dt men een the­ater, eene zeer ruime over­welfde eet­za­al, die op het prachtige park achter de vil­la uitzi­et; en ook de kamer, waar, vol­gens de over­lev­er­ing, Bian­ca Capel­lo gestor­ven is. In de laat­ste ver­di­enen de aan­dacht de zeer smaakvolle deko­ratie uit de zestiende eeuw en een fraaie schoorsteen, door twee ther­men gedra­gen. “E tradizione,” zegt de in­scrip­tie, “che queste ris­tau­rate sale os­pi­tassero nel se­co­lo XVI la bel­lis­si­ma Bian­ca Capel­lo.”

Op de eerste verdieping be­zoeken wij eerst een gemod­erniseer­den sa­lon met de portret­ten ten voeten uit van de Medi­ci, en ver­vol­gens nog eene tweede eet­za­al, ver­sierd met wapen­tropeeën en freskoos, voorstel­lende de over­win­nin­gen der Medi­ci, ben­evens tal­ri­jke al­le­gorische fig­uren. Maar ik wi­jd ter nauw­er­nood eenige op­merkza­amheid aan deze vertrekken, en spoed mij naar den prachti­gen sa­lon, di­en ik in de verte be­speur. En is het ni­et in­der­daad een ongedacht voor­recht, in eene half ver­geten vil­la eene kun­stschep­ping te vin­den, die al de ma­jesteit en be­val­ligheid der re­nais­sance in haar besten ti­jd in zich vereenigt, een sa­lon, gebouwd en ver­sierd op last en vol­gens aan­wi­jz­ing van nie­mand min­der dan Leo X? Ik waag mij ni­et aan eene beschri­jv­ing van dit in waarheid vorstelijk vertrek. De hooge gewelfde zolder­ing pri­jkt in het mid­den met het pauseli­jk wapen, met het bi­jschrift: _Leo dec­imus pon­tif­ex max. Aulam hanc il­lus­trare et ornare co­epis­set_ (sic).--_Fran­cis­cus Medices mag­nus dux Etruri­ae se­cun­dus mag­nif­icen­tius per­fi­cien­dam cu­rav­it._

Het bla­zoen en het de­vies der Medi­ci lev­eren het hoofd­motief voor de deko­ratie van deze mon­umen­tale zolder­ing; daar zi­jn de vi­er ver­bon­den rin­gen, de saamge­bon­den lau­ri­er­takken, de ved­eren, de “palle” of ballen, al te gad­er wel­bek­ende em­blema­ta in de flo­ren­ti­jn­sche kun­st; afwis­se­lend rood, blauw of zwart gek­leurd, komen zij op het vo­ordeel­igst uit tegen den schit­terend ri­jken gouden grond.

On­der de freskoos, die de wan­den ver­sieren, is er eene, die aanstonds de aan­dacht trekt, zoow­el door de toover­ma­cht van haar kolo­ri­et, als door het op­schrift, lu­idende: “_An­no Do­mi­ni MDXXI An­dreas Sar­tius pinge­bat et a.d. MDLXXX Alexan­der Al­lo­rius se­que­batur_;” met an­dere wo­or­den: in 1521 be­gonnen door An­drea del Sar­to, in 1580 voort­gezet en voltooid door Alessan­dro Al­lori. De fresko ver­beeldt Cae­sar, die in Egypte de schat­ting ont­vangt der over­won­nen natiën. In het mid­den troont de gelauw­erde dic­ta­tor in eene nis, en luis­tert naar de re­de­vo­erin­gen, die de afgezan­ten tot hem richt­en; ter rechter- en ter link­erz­ijde zi­et men man­nen van aller­lei na­tion­aliteit en zelfs kinderen, die paar­den, hon­den, gi­raf­fen en zeldzame vo­gels als schat­ting aan­bieden. Dit is eene toe­spel­ing op de zoöl­ogis­che liefheb­ber­ijen van Loren­zo il Mag­nifi­co. De or­don­nantie der schilder­ij laat te wen­schen over, maar het kolo­ri­et en de lev­endigheid der voorstelling ver­di­enen alle hulde. Ik be­hoef er natu­urli­jk ni­et bij te voe­gen, dat er hoe­ge­naamd geene sprake is van his­torische waarheid of lokale kleur. An­drea del Sar­to heeft Flo­ren­ti­jnen uit zi­jn ti­jd en omgev­ing geschilderd, en ik zal mij wel wacht­en, hem daar­van een ver­wi­jt te mak­en.

Let­terkundi­ge bi­jgedacht­en tre­den in de an­dere freskoos maar al te zeer op den voor­grond: de vri­jheid der in­spi­ratie en de eis­chen der deko­ratie hebben er on­der gele­den. Als waarschuwend voor­beeld wi­js ik op den zegevieren­den terug­keer van Ci­cero, door Fran­cia Bi­gio, met aller­lei arche­ol­ogisch bi­jw­erk: eene obelisk, eene zuil met scheepss­nebben, het liggende stand­beeld van den Tiber, en eene restau­ratie van het Kapi­tool.

On­der di­en doorzichti­gen sluier der klassieke herin­ner­in­gen, herkent men gemakke­li­jk eene toe­spel­ing op de geschiede­nis der Medi­ci; de ware hoofd­per­soon is ni­et Ci­cero, maar Cos­mo de Oude, wiens terug­keer uit zi­jne ballingschap de kun­ste­naar heeft willen vereeuwigen. Eene an­dere fresko, van Alessan­dro Al­lori, geeft ons den con­sul Flaminius te aan­schouwen, die de Achaïers be­weegt hun ver­bond met An­ti­ochus te ver­breken; op een vierde schilder­ij, van den­zelf­den kun­ste­naar, zien wij Sci­pio aan tafel gezeten met Syphax; de slaven die hen be­di­enen, de stand­beelden, de ri­jke or­na­menten over­al aange­bracht, geven aan deze com­posi­tie een karak­ter van grootheid en vorstelijke weelde, volkomen passende bij den aan­blik van dit prachtige vertrek, waarin het ri­jke en voor een deel antieke ameuble­ment geheel in har­monie is met de heer­li­jke deko­ratie.

In­tuss­chen valt de re­gen nog steeds bij stroomen ned­er; de we­gen zi­jn in mod­der­poe­len ve­ran­derd; ik moet terug­keeren. Ni­et zon­der moeite bereik ik den stal, di­en ik bij mi­jn bin­nen­tre­den in Pog­gio a Ca­jano heb opge­merkt; een kales brengt mij, steeds on­der plassenden re­gen, naar San-​Don­ni­no, waar ik in den tram stap. Bij het vallen van den avond was ik wed­er in Flo­rence terug.

II

Naar het schi­jnt, wilden de eerste Medi­ci zich door het aan­tal hun­ner res­iden­tiën troost­en over de--al­thans uitwendi­ge--een­voudigheid, die zij om poli­tieke re­de­nen in acht moesten ne­men. Deze vorstelijke verbli­jven, voor het meeren­deel klein van om­vang, kun­nen ni­et wel aanspraak mak­en op den ti­tel van paleis of kas­teel: het zi­jn ni­et meer dan vil­la's van ri­jke patri­ciërs, die het vol­strekt ni­et bene­den zich acht­en, per­soon­li­jk het oog te houden op de be­bouwing hun­ner velden en de ex­ploitatie hun­ner goed­eren. In deze meer burg­er­li­jke wonin­gen wordt vorstelijke pracht ver­van­gen door fi­jnen smaak en dis­tinc­tie:--want wij zi­jn in Toskane, en wel in het Toskane der Re­nais­sance. Maar wie het wezen van den schi­jn, het echt metaal van het klater­goud weet te on­der­schei­den, zal ook deze zoo vaak ver­geten en ver­waar­loos­de vil­la's kun­nen waardeeren.

De drie vil­la's, die wij thans zullen be­zoeken, zi­jn slechts et­telijke hon­der­den ellen van elka­nder ver­wi­jderd en kun­nen zeer gemakke­li­jk, het­zij per spoor, het­zij per tram, wor­den bereikt. Mis­leid door eene ver­keerde aan­wi­jz­ing, heb ik den lang­sten weg gekozen: mi­jn lez­er zal zich dus maar moeten getroost­en, een weinig­je met mij te zw­er­ven. Even als bij mi­jn uit­stap­je naar Pog­gio a Ca­jano, volg ik de lange en verve­lende Via Pis­to­jese; ver­vol­gens, even voor­bij het park van San-​Do­na­to, sla ik rechts om en be­treed nu een di­er tuss­chen heggen of muren in­ges­loten we­gen, die in den omtrek van Flo­rence zoo tal­ri­jk zi­jn. Het land is vlak, en de muur ont­neemt mij alle uitzicht: het is mij dus on­mo­geli­jk, mij te oriën­teeren. Maar den lez­er is het ge­noeg te weten, dat ik, na lange omzw­ervin­gen, ein­deli­jk het gehucht Ponte a Mez­zo bereik­te, dat zi­jn naam ontleent aan eene brug met één boog over een riv­iert­je, dat zelfs nu, na de re­gen­vloe­den der laat­ste weken, half droog is. Ik volg verder dit riv­iert­je en kom ein­deli­jk te Ponte a Rifre­do, waar zoow­el een sta­tion van den spoor­weg als van den tramweg is, en dat ik dus zeer gemakke­li­jk van Flo­rence uit had kun­nen bereiken. Het vlek is aller­bekoor­li­jkst: een aan­tal kleine huizen liggen schilder­achtig gegroept aan den voet der bergen; jam­mer ge­noeg, be­gint de mod­erne in­dus­trie ook den weg naar dit ver­rukke­li­jk oord te vin­den: reeds ver­ri­jzen hi­er en daar de af­schuweli­jke schoorstee­nen van fab­rieken.

Doch wij tre­den liev­er de kerk bin­nen, wier voorgev­el met por­tiek geheel overeenkomt met de voorgevels van zoo vele kerken in Toskane, maar die roe­men mag op het bez­it van twee kost­bare ter­ra-​cot­ta's uit de school van de del­la Rob­bia. Aan de kerk grenst eene za­al, bestemd voor de bi­jeenkom­sten van een lief­dadig genootschap, de Com­pag­nia del­la Mis­eri­cor­dia.

De weg van Ponte a Rifre­do naar Careg­gi is wederom tuss­chen muren in­ges­loten en vrij een­za­am. Na ver­loop van een half uur ongeveer be­gint de weg te dalen, en een geruisch als van val­lende wa­teren dringt tot mi­jne ooren door. Wel­dra be­speur ik eene snelvli­etende beek, die met groot gerucht door haar rot­sig bed voort­snelt; aan de overz­ijde ver­ri­jzen, op een kleinen heuv­el, een gekan­teelde toren en, op ko­rten af­stand, eene vil­la, voor het groot­ste gedeelte achter het ge­boomte ver­bor­gen. Wel­dra sta ik voor de “Vil­la Medicea di Careg­gi”.

Careg­gi! deze naam heeft be­teeke­nis in de geschiede­nis der beschav­ing. In dit ned­erig verbli­jf, door Mich­eloz­zo voor Cos­mo, den Vad­er des vader­lands, gebouwd, hield de pla­tonis­che Akademie hare eerste zit­tin­gen; daar putte Flo­rence, en op haar voet­spoor geheel Eu­ropa, voor het eerst nieuw lev­en uit de werken van den god­deli­jken wi­js­geer. Uit dezen kring der Medi­ci ging voor een goed deel de geest uit, die het aan­schi­jn der wereld zou ve­ran­deren en de mod­erne beschav­ing in het lev­en roepen. En ook voor de bi­jzon­dere geschiede­nis van Flo­rence heeft deze plek groote be­teeke­nis. Daar stier­ven, acht-​en-​twintig jaren na elka­nder, de on­ster­fe­li­jke groot­vad­er en de ni­et min­der beroemde klein­zoon, Cos­mo en Loren­zo il Mag­nifi­co. De eerste, tot hoogen oud­er­dom gekomen, ging heen, be­treurd en geëerd door zi­jne mede­burg­ers, die hem den schoo­nen ti­tel van Vad­er des vader­lands schonken; de tweede, weg­gerukt in de kracht van den man­neli­jken leefti­jd--hij telde eerst vi­er-​en-​veer­tig jaren--nam den vrede van Eu­ropa met zich in het graf. In­der­daad, ware Loren­zo in het lev­en gebleven, dan zou Karel VI­II van Frankri­jk meer dan waarschi­jn­li­jk nooit die nood­lot­tige ex­pe­di­tie hebben gewaagd, die het be­gin was der ital­iaan­sche oor­logen en de bron van on­bereken­bare ver­war­rin­gen, van on­afzien­bare ram­pen en ver­wikke­lin­gen, waar­van de gevol­gen zich maar al te zeer, tot in deze onze da­gen, hebben doen gevoe­len. De dood van di­en zeldza­men man, staats­man, dichter, onovertrof­fen kun­stbescher­mer, heeft iets buitenge­woon drama­tisch. Poliziano en Pi­co del­la Mi­ran­dola had­den, lu­id snikkend, het vertrek van den ster­vende ver­lat­en, toen de strenge pri­or van San-​Mar­co ver­scheen, Savonaro­la, de on­ver­bid­deli­jke tegen­stander der Medi­ci. Wat is er in die ster­fkamer, tuss­chen die twee man­nen voorgevallen? Nie­mand kan het met zek­er­heid zeggen. Vol­gens eene vrij al­ge­meen aangenomen over­lev­er­ing, zou Savonaro­la, eer hij de biecht van Loren­zo wilde aan­hooren, hem drie voor­waar­den hebben gesteld. De eerste, dat hij on­beperkt vertrouwen zou stellen in de god­deli­jke genade en barmhar­tigheid; de ster­vende antwo­ordde, dat hij daar­van geheel do­or­dron­gen was. De tweede, dat hij de goed­eren, die hij zich on­recht­matig had toegeëi­gend, zou teruggeven of door zi­jne zo­nen doen teruggeven; Loren­zo dacht een oogen­blik na en boog toen het hoofd, ten teeken van toestem­ming. De derde voor­waarde ein­deli­jk was, dat hij aan het flo­ren­ti­jn­sche volk zi­jne vri­jhe­den zou teruggeven; toen wendde Loren­zo, zon­der te antwo­or­den, het gelaat af, en Savonaro­la ging heen zon­der hem de ab­so­lu­tie te geven. Eenige uren lat­er, op den acht­sten April 1492, blies il Mag­nifi­co den laat­sten adem uit.

Na den flo­ren­ti­jn­schen op­stand van 1527 had de vil­la het hard te ve­rant­wo­or­den; zij werd ten deele een prooi der vlam­men. Alessan­dro de Medi­ci, de eerste her­tog van Flo­rence, li­et de nood­ige her­stellingswerken uitvo­eren, en vertrouwde de deko­ratie aan Pon­tor­mo en Bronzi­no toe; alle sporen der ver­woest­ing waren wel­dra uit­gewis­cht. De opvol­gers van her­tog Alexan­der toon­den min­der be­lang­stelling voor de geliefkoos­de res­iden­tie van Cos­mo en Loren­zo; de dy­nas­tie van Lotharin­gen verkocht de vil­la in 1779 aan de fam­ilie Or­si. In 1848 werd Careg­gi het eigen­dom van een ri­jken En­gelschman, sir Sloane, wiens we­duwe nog heden de vil­la be­woont. De laat­ste eige­naar heeft ron­dom de vil­la een prachti­gen tu­in lat­en aan­leggen; mid­den door heer­li­jk ge­boomte, bloeiende heesters en bloem­perken vo­ert men mij naar het huis, dat ni­ets groots of in­druk­wekkends heeft. Ter­wi­jl men mi­jn kaart­je aan de meester­esse des huizes ter hand stelt, beschouw ik op mi­jn gemak de bin­nen­plaats, den cor­tile, waarop men mij gelat­en heeft. Deze in­der­daad fraaie bin­nen­hof, met zi­jn sier­li­jke zuilen­ga­ler­ij, is in een win­ter­tu­in her­schapen. De vrij diepe put herin­nert mij on­willekeurig aan den put, waarin de ge­neesheer van Loren­zo zich ver­dronk, uit vrees dat men hem beschuldigen zou, zi­jn patiënt vergiftigd te hebben.

In­tuss­chen wordt de gevraagde ver­gun­ning berei­dwillig ver­leend, en on­der het gelei­de van een ital­iaan­schen be­di­ende wan­del ik door eene reeks van vertrekken, allen ge­tu­igende van de hooge waarde, die sir Sloane aan de his­torische herin­ner­in­gen zi­jn­er vil­la hechtte. Hi­er zie ik eene mod­erne schilder­ij: Cos­mo, de op­dracht van een boek ont­van­gende; ginds de portret­ten van Pi­co del­la Mi­ran­dola, van Leo X; Loren­zo il Mag­nifi­co den ge­boortedag van Pla­to vierende; voorts een marmeren borstbeeld van Pla­to. Ook vin­dt men in de geheel ve­ran­derde en mis­vor­mde vertrekken nog eenige oude meube­len, on­der an­deren een mon­umen­taal ledikant, waarin, naar mi­jn gids be­weert, Loren­zo zou zi­jn gestor­ven. On­gelukkig is dit bed ni­et oud­er dan de zestiende eeuw.--Ook hi­er geeft het in­wendi­ge meer dan het uiter­li­jk be­looft: de won­ing is zeer ruim en kon zon­der moeite de kun­ste­naars en lit­ter­atoren her­ber­gen, die Cos­mo en Loren­zo om zich verza­melden; zelfs bood zij nu en dan gastvri­jheid aan vorstelijke be­zoek­ers. On­der de kunst­werken, die de vil­la ver­sier­den, wordt in de eerste plaats ge­noemd een schilder­ij van Mem­ling, waar­van Vasari meld­ing maakt. Het kost echter eenige moeite, zich di­en vroegeren toe­stand voor den geest te roepen, te mid­den van die en­gelsche meube­len en kar­pet­ten, van zeer mid­del­matige schilder­ijen en beeld­werken, van de ru­mo­erige, karak­ter­looze deko­ratie onz­er mod­erne sa­lons. Zulke ver­gri­jpen tegen den goe­den smaak doen u ni­et min­der on­aan­ge­naam aan bij de beschouwing van den achtergev­el, waar men zich zelfs ni­et heeft ontzien, ijz­eren kolom­men aan te bren­gen! Daar­ente­gen is de tu­in be­won­derenswaardig: En­ge­land, op het ter­rein der kun­st over­won­nen, hand­haaft zi­jn roem op dat der hor­ti­cul­tu­ur.

Pog­gio a Ca­jano en Careg­gi hebben ons de beschei­den pracht getoond van de eerste Medi­ci; Castel­lo en la Pe­tra­ja zi­jn de res­iden­ties van vorsten en dag­teeke­nen uit een ti­jd, toen de zucht naar weelde en schit­ter­ing de be­hoefte aan kalmte en stille huiseli­jkheid op den achter­grond had gedron­gen. Boven­di­en hebben wij hi­er ni­et alleen te doen met de herin­ner­ing aan de Medi­ci, her­to­gen, lat­er groother­to­gen van Toskane gewor­den; an­dere herin­ner­in­gen van zeer veel jon­geren da­tum en van zeer ki­eschen aard, on­aan­ge­name en lastige herin­ner­in­gen, komen zich daar­bij voe­gen. Ik was daarmede ten een­emale on­bek­end, en kon dus ook eerst lat­er het raad­sel oplossen van het weinig beleefde on­thaal, mij ten deel gevallen van de zi­jde van on­dergeschik­te beambten, die in deze da­gen van tri­om­feerende onbeschei­den­heid en schaamtelooze pub­liciteit, uit den aard der za­ak, in iederen vreem­den be­zoek­er een re­porter meen­den te zien.

De bei­de vil­la's, wier na­men ik zoo even noemde, zi­jn van Careg­gi duideli­jk zicht­baar. De weg daarheen, voort­durend door muren in­ges­loten, is zeer verve­lend. Aan het einde van de lange straat, waaruit het dorp bestaat, be­gint eene fraaie, met kas­tan­jes be­plante laan, die, langs de vil­la Corsi­ni, naar de konin­kli­jke vil­la lei­dt, die tegen de helling van den heuv­el is aan­gelegd. Het uitwendig voorkomen van het huis is hoogst een­voudig: de voorgev­el bestaat uit eene bene­den­verdieping, met een poort, in zooge­noemd _opus rus­ticum_, in het mid­den, en een boven­verdieping met een balkon. Van het in­wendi­ge kan ik ni­ets zeggen; want de toe­gang tot de ap­parte­menten is ten streng­ste ver­bo­den; men zegt, dat er fraaie schilder­ijen van Pon­tor­mo, Bronzi­no en an­dere meesters hangen. Door eene bi­jzon­dere gun­st wordt het mij ver­gund, in den tu­in te wan­de­len, die alleen reeds de moeite van het be­zoek loont. Deze tu­inen zi­jn een schep­ping van den eersten groother­tog, Cos­mo, die de ver­sier­ing op­droeg aan den bek­wa­men beeld­houw­er Nicoló Tri­bo­lo (ge­boren in 1485, gestor­ven in 1550). Een smaakvol marmeren bekken, ver­sierd met een kind op een arend gezeten; eene mon­umen­tale fontein met bronzen kinder­fig­uren en de groep van Herkules en An­taeus, trekken al dadeli­jk de aan­dacht. Verder zi­et men in deze tu­inen, prachtige oran­je­boomen in pot­ten, boschjes van lau­ri­eren, stand­beelden, en in het hoog­ste gedeelte eene kun­st­matige grot met eene gan­sche menagerie van bont­gev­erfde dieren, met sta­lak­titen en wat daar verder toe be­hoort.

Een trap vo­ert naar een heer­li­jk boschje van steeneiken en cy­pressen, wier donker gebladerte een uit­ne­mend con­trast vormt met den zon­ni­gen, kleuri­gen tu­in aan uw voet.--Ook aan Castel­lo knoopt zich de herin­ner­ing van vele beroemde na­men: Ben­venu­to Celli­ni, die, in 1552, hi­er door Cos­mo zeer on­vrien­deli­jk ont­van­gen werd; Bian­co Capel­lo, die hi­er her­haaldeli­jk haar verbli­jf hield, en Bor­gognone, den ri­jk be­gaaf­den veld­sla­gen­schilder.

Men heeft van Castel­lo naar la Pe­tra­ja slechts weinige minuten te gaan. Een konin­kli­jke tu­inier brengt mij, langs eene met boss­chages en rot­sen om­zoomde laan, naar het hek dat de vil­la af­sluit. Wij wan­de­len een eind door het open veld, gaan langs de kleine parochiek­erk van Castel­lo, en komen aan een tweede hek, dat toe­gang geeft tot de vil­la la Pe­tra­ja. Het park, dat zich voor ons uit­brei­dt, is ver­rukke­li­jk schoon: steeneiken en eeuwe­noude cy­pressen, rot­sen en wa­ter­vallen vor­men een geheel, dat door grootschheid en ma­jesteit in­druk maakt.

On­danks de restau­raties, in de laat­ste jaren op last van Vic­tor-​Emanuel aange­bracht, heeft de vil­la zelve veel meer karak­ter dan Castel­lo. Een soort van wacht­toren, van boven met twee buiten­ga­ler­ijen pri­jk­ende, schi­jnt nog eene herin­ner­ing aan den ti­jd, toen la Pe­tra­ja een sterke burcht was, die achter­vol­gens aan de Brunelleschi, do Strozzi, de Salu­tati, en ein­deli­jk, sedert het laatst der zestiende eeuw, aan de Medi­ci be­ho­orde, en die vroeger meer dan eene belegering had door te staan. On­der lei­ding van den ar­chitekt Buon­te­lan­ti (gestor­ven in 1608) werd de oude mid­deleeuwsche burcht in een mod­ern lusthuis her­schapen. Het merk­waardig­ste gedeelte van de vil­la is de oude “cor­tile”, de bin­nen­plaats, die thans met glas overdekt en in een sa­lon ve­ran­derd is. Die sa­lon, met zi­jn dubbele rij van zuilen, waarte­gen hertenkop­pen beves­tigd zi­jn,--tropeëen, door Vic­tor-​Emanuel van zi­jne jacht­en medege­bracht,--zi­et er echt vorstelijk uit; de freskoos die de wan­den ver­sieren, het schit­terend licht dat uit den glazen koe­pel daalt, ver­hoogen nog het ef­fekt. Ik zal die freskoos, die als deko­ratie haar ver­di­en­sten hebben, maar ni­et beschri­jven: zij ver­di­enen onze aan­dacht ni­et in een land, waar men de meester­stukken uit den gouden ti­jd der kun­st bij hon­der­den telt. Toch zi­jn daaron­der, die his­torisch be­lang hebben: tafree­len, als de samenkomst van Leo X en Frans I te Bologna, de kro­ning van Karel V, de in­stelling der orde van Sint-​Ste­fanus, en meer an­deren van di­en aard, trekken van zelf de aan­dacht, afgeschei­den van hunne kunst­waarde.--De kleine kapel be­vat een schilder­ij, die bi­jna ni­et te zien is, en die aan An­drea del Sar­to wordt toegeschreven. Hoe jam­mer dat deze Heilige Fam­ilie (de Madon­na, het kind Jezus, Sinte-​Elis­abeth, Sint-​Jan de Doop­er) zoo donker van kleur gewor­den is; de or­don­nantie maakt een zeer gun­sti­gen in­druk.

De deko­ratie der vertrekken van la Pe­tra­ja is zeer veel ri­jk­er, maar miss­chien min­der smaakvol, dan die van Pog­gio a Ca­jano. In een der sa­lons ron­dom den overdek­ten cor­tile, zie ik zes zeer kost­bare tapi­jten, de geschiede­nis van Don Qui­chote voorstel­lende en in 1781 in de fab­riek der Go­belins ver­vaardigd.--Ik zal mij ni­et verdiepen in eene beschri­jv­ing van de eerste verdieping, met haar bil­lardza­al, haar bad­kamers, haar slaapvertrekken, waarin de bed­den op konin­kli­jke gas­ten schi­jnen te wacht­en. On­danks den overvloed van meube­len en het zeer zorgvuldig on­der­houd, is toch ni­et alles volkomen zoo als men het wen­schen zou. Zoo mak­en, bij voor­beeld, de perzis­che tapi­jten eene vrij po­vere figu­ur in de oude kapel, naast de freskoos van Poc­cetti.

Bij het bek­lim­men van den toren ont­dek ik een zeer beschei­den kunst­werk, nog dag­teeke­nende uit de eerste ti­jden van la Pe­tra­ja: nameli­jk eene kleine Madon­na, ter halver li­jve, van geschilderd stuc, met het Kind en en­ge­len. De sti­jl is die van de vi­jf­tiende eeuw. On­gelukkig heeft men dit in­ter­es­sante stuk, als al het overige, bi­jgeschilderd.

Ter link­er- en ter rechterz­ijde van de vil­la liggen uit­gestrek­te tu­inen, waarin zich een aan­tal volières bevin­den, die tegen­wo­ordig on­be­woond zi­jn. Men ver­haalde mij, dat de vroegere vorsten van Toskane hi­er eene aller­merk­waardig­ste verza­mel­ing vo­gels, waaron­der zeer kost­bare en zeldzame ex­em­plaren, had­den bi­jeenge­bracht. Wat er, na de ver­dri­jv­ing der oude dy­nas­tie, van die verza­mel­ing gewor­den is, weet ik ni­et: in ieder geval is er nu geen spoor meer van over. Gelukkiger waren de twee reusachtige steeneiken, wier stam eenige ellen in omtrek meet, en die een sier­aad zi­jn van den tu­in ter link­er­hand. Tuss­chen de zware takken van die eeuwe­noude boomen, heeft men een soort van ter­rassen of planken­vlo­eren aange­bracht: de be­zoek­ers van de vil­la kun­nen dus, des verkiezende, te mid­den van het lom­mer, eenige ellen boven den grond, een lucht­je schep­pen, of hunne siës­ta houden. Ter­wi­jl ik deze eerwaardi­ge boomen aan­zag, kwam on­willekeurig de gedachte in mij op aan het­geen zij zouden kun­nen ver­halen, ware hun, als den eik in Ten­nyson's gedicht, de gave der waarne­ming en der spraak geschonken. On­der den lom­mer dez­er breede takken hebben de Medi­ci gewan­deld, omgeven door hunne schit­terende hofhoud­ing, door al de statige pracht van een ital­iaan­sch hof der zeven­tiende eeuw; deze eeuwe­noude boomen za­gen de vorsten uit de door­luchtige dy­nas­tie van Lotharin­gen, wier bestu­ur, on­der zoo menig opzicht, voor Toskane eene wel­daad was. Maar ook hunne eerwaardi­ge kru­inen bo­gen on­der den storm der omwen­tel­ing, die meer dan een­maal dat schoone land teis­ter­de; vreem­den kwa­men en na­men de paleizen van de oude vorsten in bez­it; de schit­terende, roem­ri­jke ste­den van het eens zoo ri­jk gescha­keerde Ital­ië, die metropolen die zel­ven een­maal stat­en en mo­gend­he­den waren, daalden af tot den rang van provin­ci­est­eden; de vorstelijke paleizen en vil­la's, over het geheele schierei­land ver­spreid, zi­jn het eigen­dom gewor­den van eene enkele dy­nas­tie, groot gewor­den ten koste van alle an­deren. Welk eene er­fe­nis is, ook on­der dat opzicht, het huis van Savoye in den schoot gevallen! Maar wij moeten ook aan deze dy­nas­tie gerechtigheid lat­en weer­varen: ver­ge­tende op welke wi­jze en door welke mid­de­len zij in het bez­it dez­er schit­terende er­fe­nis is gekomen, moeten wij erken­nen dat zij de nalaten­schap har­er voor­gangers in eere houdt en toont hare schat­ten op pri­js te stellen.

Op ko­rten af­stand van die eerwaardi­ge boomen zi­et men zeer in­ter­es­sante beeld­jes in marmer, apos­te­len en pro­feten voorstel­lende, en uit de veer­tiende eeuw afkom­stig. Eve­nals de vrouwen­beelden in den tu­in van Castel­lo, pri­jk­ten ook dezen, ben­evens een aan­tal an­deren, eens aan den voorgev­el van de kathe­draal te Flo­rence.

Het voor­naam­ste sier­aad van den tu­in is ongetwi­jfeld de fontein, in smaak en sier­li­jkheid ni­et on­der­doende voor die te Castel­lo en, eve­nals deze, het werk van Tri­bo­lo. Het on­der­ste gedeelte bestaat uit een marmeren bekken, waarin goud­viss­chen zwem­men. Satyrs, op dolfi­jnen gezeten, dra­gen een tweede bekken, ver­sierd met bloemkransen, die door naak­te ge­nius­jes wor­den gehouden; uit dit bekken ver­ri­jst een met bloe­men, kinder­fig­uren (_put­ti_) leeuwen­klauwen ver­sierde piedestal, waarop een derde, klein­er bekken rust, waarin eene badende nimf, die als Venus Anady­omene hare haar­lokken uitwringt, een fi­jnen kristallen wa­ter­straal laat vloeien. Dit bronzen beeld is het werk van Jean Bologne, die daarmede het be­wi­js heeft geleverd, dat hij zoow­el de vrouweli­jke be­val­ligheid, als de man­neli­jke kracht wist weer te geven.

Wilden wij al de vil­la's der Medi­ci in den on­mid­deli­jken omtrek van Flo­rence bestudeeren, dan zouden wij nog een be­zoek moeten bren­gen aan la Topa­ja, de oude vil­la van Varchi, den vriend van Michel-​An­ge­lo, den on­afhanke­li­jken geschied­schri­jver van de flo­ren­ti­jn­sche re­pub­liek. Deze vil­la, die, naar men mij zegt, ni­ets bi­jzon­der be­lan­gri­jks heeft, ligt een weinig boven la Pe­tra­ja. Maar om haar te mo­gen be­zoeken, moet men de tuss­chenkomst in­roepen van hoogge­plaat­ste per­so­nen, tot wie ik schroom mij te wen­den. Boven­di­en heeft het uit­stap­je naar Careg­gi, naar Castel­lo en la Pe­tra­ja mi­jn gehee­len dag in beslag genomen. Deze dag was welbesteed, im­mers ik mag mij vleien te hebben aange­toond, welke kun­stschat­ten en welk eene wereld van herin­ner­in­gen deze ver­geten mon­umenten van den ouden ti­jd bezit­ten.

Te aan­ge­namer was het mij, mi­jne lez­ers juist naar deze lustverbli­jven, waar­naar gewone to­eris­ten ni­et omzien, wier bestaan zij zelfs ni­et ver­moe­den, te vo­eren, om­dat ook in ern­stiger en degeli­jk­er werken dan to­eris­ten-​hand­boeken, van deze vil­la's weinig of geen meld­ing wordt gemaakt.

Moge mi­jne toch nog on­volledi­ge beschri­jv­ing al­thans dit hebben uit­gew­erkt, dat de aan­dacht van enke­len, van ware, ern­stige be­minnaars van kun­st en his­to­rie, ook op deze mon­umenten van Ital­ië's ri­jk verleden worde geves­tigd. Laat de stroom der alledaagsche to­eris­ten hen dan voor­bi­jgaan; voor­waar, ze ver­liezen ni­ets daar­bij. En de to­eris­ten zel­ven: och, ook hun schaadt het ni­et, want wie op de mod­erne manier Ital­ië bereist, zi­et en kent in­der­daad ni­ets van dat won­der­land, dat men, als de pel­grim van weleer, voet voor voet moet door­wan­de­len, over­al to­evende en telkens terug­keerende naar dezelfde plek. Wie dat ni­et doen kan, bli­jve liev­er te huis of trekke naar een mode-​bad­plaats: 't is beter voor hem en vooral voor Ital­ië.

End of the Project Guten­berg EBook of De Vil­la's der Medi­ci in den omtrek van Flo­rence, by Anony­mous

*** END OF THIS PROJECT GUTEN­BERG EBOOK DE VIL­LA'S DER MEDI­CI ***

***** This file should be named 16569-8.txt or 16569-8.zip ***** This and all as­so­ci­at­ed files of var­ious for­mats will be found in: http://www.guten­berg.org/1/6/5/6/16569/

Pro­duced by Jeroen Helling­man and the PG Dis­tribut­ed Proof­read­ers Team

Up­dat­ed edi­tions will re­place the pre­vi­ous one--the old edi­tions will be re­named.

Cre­at­ing the works from pub­lic do­main print edi­tions means that no one owns a Unit­ed States copy­right in these works, so the Foun­da­tion (and you!) can copy and dis­tribute it in the Unit­ed States with­out per­mis­sion and with­out pay­ing copy­right roy­al­ties. Spe­cial rules, set forth in the Gen­er­al Terms of Use part of this li­cense, ap­ply to copy­ing and dis­tribut­ing Project Guten­berg-​tm elec­tron­ic works to pro­tect the PROJECT GUTEN­BERG-​tm con­cept and trade­mark. Project Guten­berg is a reg­is­tered trade­mark, and may not be used if you charge for the eBooks, un­less you re­ceive spe­cif­ic per­mis­sion. If you do not charge any­thing for copies of this eBook, com­ply­ing with the rules is very easy. You may use this eBook for near­ly any pur­pose such as cre­ation of deriva­tive works, re­ports, per­for­mances and re­search. They may be mod­ified and print­ed and giv­en away--you may do prac­ti­cal­ly ANY­THING with pub­lic do­main eBooks. Re­dis­tri­bu­tion is sub­ject to the trade­mark li­cense, es­pe­cial­ly com­mer­cial re­dis­tri­bu­tion.

*** START: FULL LI­CENSE ***

THE FULL PROJECT GUTEN­BERG LI­CENSE PLEASE READ THIS BE­FORE YOU DIS­TRIBUTE OR USE THIS WORK

To pro­tect the Project Guten­berg-​tm mis­sion of pro­mot­ing the free dis­tri­bu­tion of elec­tron­ic works, by us­ing or dis­tribut­ing this work (or any oth­er work as­so­ci­at­ed in any way with the phrase “Project Guten­berg”), you agree to com­ply with all the terms of the Full Project Guten­berg-​tm Li­cense (avail­able with this file or on­line at http://guten­berg.net/li­cense).